Nivelleren is een feestje, zo gaat het gezegde in Den Haag. Met chirurgische precisie zetten onze volksvertegenwoordigers het mes in het spierweefsel van onze samenleving, snijden een reep vlees af, en gooien dit in de grote pot.
Van de maaltijd – wat er van overblijft – wordt zuinig opgeschept. We hebben immers in ons eigen vlees gesneden. Met onnavolgbare regels wordt bepaald hoeveel iedereen mag opscheppen. En wee je gebeente als je iets teveel hebt ontvangen.
De porties kloppen niet meer. De pensioenen, de uitkeringen, de inkomensplaatjes zijn allemaal ooit bedacht in
een tijd dat woonlasten overzichtelijk waren. Inmiddels is dat volledig scheefgegroeid. De één leeft comfortabel van zijn AOWtje in een afbetaald huis, of in een sociale huurwoning. De ander betaalt zich blauw aan een zorgappartement of vrije sectorwoning. De verschillen tussen woonlasten zijn enorm. En dat is niet omdat Nederlanders zo verschillend wonen. Het moment waarop je gaat huren, of waarop je een huis koopt, is allesbepalend voor de hoeveelheid geld die je kwijt bent aan woonlasten. Oók gecorrigeerd voor inflatie.
Als we alléén naar inkomensplaatjes kijken, zoals de overheid doet, kunnen we dit onrecht niet eens zien, laat
staan oplossen. Het mes van de nivellering is bot geworden.
Binnen de beweging voor basisinkomen lijkt het besef over de woonongelijkheid te groeien. Er worden
constructieve voorstellen gedaan om hier iets aan te doen, zoals het woonfundament, een toeslag bovenop het
basisinkomen die afhankelijk is van de woonsituatie. Maar daarmee doe je óók een van de voordelen van het basisinkomen teniet. De overheid moet dan weten hoe je woont, en met wie. Elke nieuwe regel is een nieuwe mogelijkheid om te frauderen. Elke nieuwe mogelijkheid om te frauderen vereist een stukje controle. Controle die geld kost, en ook ingrijpt op onze vrijheid.
Meer dan honderd jaar geleden stelde de Amerikaanse econoom Henry George een ándere manier van
welvaartsdeling voor. Een buffet waarvoor we de spierkracht van de economie niet hoeven op te offeren, maar
enkel het spek hoeven aan te snijden. (de weight watchers en vegetariërs onder ons moeten me deze metafoor
maar even vergeven). Een grondwaardebelasting raakt alléén de winsten die niet zijn toe te schrijven aan
productieve arbeid.
Henry George was één van de eerste, en in zijn tijd de belangrijkste voorstander van het basisinkomen. Maar dat
was ook omdat hij die koppelde aan een vorm van belasting die geen schade berokkent aan de economie. Een
belasting die succesvolle bedrijven geen strobreed in de weg legt. En die bovenal erkent dat we allemaal recht
hebben op een gelijk deel van de aarde. Iedereen kan nog steeds zo groot en ruim leven als hij of zij wil, maar de groeiende woonongelijkheid tussen jong en oud, en arm en rijk, neemt af. Grondspeculatie wordt niet, zoals nu, beloond, wat betekent dat allerlei bouwprojecten een nieuwe impuls krijgen. Een lágere belasting op arbeid en handel zorgt bovendien voor een nieuwe impuls voor de economie. Beroepen waar je nú niet van kunt leven, worden weer mogelijk.
Hoeveel mensen lopen niet rond met plannen om voor zichzelf te beginnen, maar missen nu het vertrouwen dat als
eigen baas rond kunnen komen? Als de BTW en loonbelasting omlaag gaat, is die yogastudio of dat restaurant
ineens haalbaar.
Een stabiele woningmarkt zorgt óók voor vrijheid. Trek er een jaar op uit met een camper; als je terugkomt zijn de
huizen nog steeds betaalbaar.
En natuurlijk, hard werken en carrière maken wordt óók beter beloond als de belastingen op handel en arbeid
omlaag kunnen.
De politiek zegt dat we moeten kiezen tussen vrijheid en solidariteit, tussen economische groei en gelijkheid. Maar
die zaken zijn helemaal niet met elkaar in conflict. We kunnen op beide vlakken vooruitgang boeken, als we maar
verder durven te kijken dan de ouderwetse links-rechts tegenstelling.
